Home Geschiedenis Artikelen De Arabisch-Israëlische oorlogen

De Arabisch-Israëlische oorlogen

Voorpagina van de 'Palestine Post' (de tegenwoordige Jerusalem Post) Klik voor ware grootte
Voorpagina van de 'Palestine Post' (de tegenwoordige Jerusalem Post)

Dit artikel behandelt de Arabisch-Israëlische oorlogen vanaf 1948.

  1. De Onafhankelijkheidsoorlog (1948-1949)
  2. De Sinaïcampagne (1956)
  3. De Zesdaagse Oorlog (juni 1967)
  4. De Yom Kippur Oorlog (oktober 1973)
  5. Libanon Oorlog 1 (1982-1983)
  6. De eerste intifada
  7. De Oslo Akkoorden
  8. De el Aksa-intifada
  9. Libanonoorlog 2 (12/07/2006 - 14/08/2006)

1. De Onafhankelijkheidsoorlog (1948-1949)

“Wij strekken de vredeshand en een goed nabuurschap uit naar alle staten rondom ons en naar hun volkeren…”

Proclamation of Independence / The Declaration of the Establishment of the State of Israel / Official Gazette: Number 1; Tel Aviv, 5 Iyar 5708, 14.5.1948 Page 1

We extend the hand of peace and good-neighborliness to all the States around us and to their people, and we call upon them to cooperate in mutual helpfulness with the independent Jewish nation in its Land. The State of Israel is prepared to make its contribution in a concerted effort for the advancement of the entire Middle East.

“Dit zal een uitdelgingsoorlog zijn en een geweldige slachting, waarover gesproken zal worden als over de slachtingen van de Mongolen en de Kruisvaarders.”

Azzam Pasha, Secretaris-Generaal van de Arabische Liga, op 15 mei 1948 te Caïro

This will be a war of extermination and a momentous massacre which will be spoken of like the Mongolian massacres and the Crusades.

Terwijl op de 14e mei 1948 in Tel Aviv de Onafhankelijkheidsverklaring werd voorgelezen stonden Arabische legers klaar de nieuwe staat Israël de zee in te drijven. De vredeshand, die de jonge staat Israël naar de buurstaten uitstak, werd ruw weggeslagen. Terwijl de 37 Joodse afgevaardigden hun handtekening onder de Onafhankelijkheidsverklaring zetten en de God van Israël lof brachten met de bekende Joodse lofprijzing:

‘Gezegend zijt Gij, HERE onze God, Koning van het heelal, Die ons in leven hebt gelaten en ons hebt behouden en ons in staat hebt gesteld deze dag te aanschouwen.’

stegen Egyptische vliegtuigen op om Tel Aviv en omgeving te bombarderen. De oorlog was in feite al bijna een half jaar aan de gang. Voortdurend moesten de Joden zich verdedigen tegen troepen van de Arabische Liga en tegen Arabische groepen terroristen. Elke dag waren er wel ergens schermutselingen of regelrechte oorlogshandelingen. Hier en daar gingen de Joden ook tot het offensief over. In die dagen begon ook een uittocht van Arabieren uit Palestina.

Voornaamste Arabische aanvallen in 1948 - zie www.zionism-israel.com /dic /War_of_Independence.htm Klik voor ware grootte
Voornaamste Arabische aanvallen in 1948 - zie www.zionism-israel.com /dic /War_of_Independence.htm

Tot op de dag van heden, nu al ruim 60 jaar lang, schijnt het allemaal om Palestijnse vluchtelingen te gaan. Zelden wordt vermeld dat het grootste deel van die ‘vluchtelingen’ op advies van Arabische leiders (‘tijdelijk’ werd hen voorgespiegeld) is vertrokken met de belofte na het verdrijven van de Joden (dat was het doel van deze oorlog) triomfantelijk terug te keren. Dat bleek dus een misrekening van de Arabische aanvallers te zijn. De vluchtelingen waren hiervan de dupe. Israël werd dus een onafhankelijke staat, erkend door de VN op grond van resolutie 181 van 29 november 1947. President Truman van de V.S. was de eerste die Israël erkende. Direct daarop volgde de erkenning van Rusland, toen nog de machtige Sovjet Unie. Binnen de grenzen van de jonge staat heerste er van het eerste ogenblik af orde, rust en veiligheid.

Door president Truman verbeterd concept van de erkenning van Israël door de V.S. Klik voor ware grootte
Door president Truman verbeterd concept van de erkenning van Israël door de V.S.

Al vroeg in de ochtend van de 15e mei vielen de legers van Jordanië, Libanon, Syrië, Egypte, Irak en Saoedi-Arabië het land van alle kanten binnen. Het leger van Jordanië werd beschouwd als een modelleger, het beste van het Midden-Oosten. Het was getraind en opgeleid door de Engelsen en stond onder leiding van de Engelse Jordaniër (de man had twee paspoorten) Glubb Pasha. Dit leger van de Jordaanse koning Abdoellah rukte de Oude Stad van Jeruzalem binnen. Daar begonnen zware gevechten. Het Egyptische leger drong door tot op 30 km ten zuiden van Tel Aviv. De strijdkrachten van Irak dreigden Israël in tweeën te splijten en naderden de Middellandse Zee tot op 15 kilometer. De situatie zag er aanvankelijk voor de Arabieren inderdaad prima uit.

In de eerste maand van de oorlog stond een klein aantal Hagana-strijders, die slecht bewapend waren, tegenover vijf goed bewapende Arabische legers. Desondanks werden al snel bijna overal de Arabische legers tegengehouden en zelfs teruggedrongen. Verschillende malen riep de VN op om tot een wapenstilstand te komen, maar de Arabieren wilden van geen ophouden weten. Totdat in juni 1949 eindelijk een definitieve wapenstilstand tot stand kwam. Tegen ieders verwachting in waren de Joden niet de zee in gedreven. Israël bleef in het bezit van “hun” deel van het land met wat grenscorrecties. Maar de overwinning was duur betaald. Zij had 4.000 soldaten en 2.000 burgers het leven gekost.

Mei 1948, dag van de Onafhankelijkheid in Tel Aviv, foto door Robert Capa Klik voor ware grootte
Mei 1948, dag van de Onafhankelijkheid in Tel Aviv, foto door Robert Capa

Het klinkt vreemd, maar ook Egypte en Jordanië boekten winst aan grondgebied door deze oorlog. De verklaring is echter simpel. In de loop van 1949 werden de Gazastrook door Egypte en de Westbank van de Jordaan door Jordanië geannexeerd. Weer maakten de Arabische landen en de Arabieren in Israël (momenteel worden ze Palestijnen genoemd) een grote politieke misrekening. Ook ditmaal waren hun eigen Arabische broeders de schuldigen. De eerste keer, bij het begin van de oorlog, raadden zij de Arabieren uit Israël dringend aan om te vluchten en daarna annexeerden zij land, dat door de VN op 29 november 1947 voor de Arabieren in Israël bestemd was. Toen was er een geweldige kans om een Palestijnse staat op de Westbank te stichten. Maar Jordanië dacht er niet aan de Arabieren in Israël die kans te bieden. En de ‘Palestijnen’ hebben Jordanië noch de Arabische Liga in de periode van 1949 tot 1967 om een Palestijnse staat op de Westbank gevraagd. De vijanden van Israël hadden een ander antwoord. Terroristen, fedayeen werden ze toen genoemd, werden in omliggende Arabische landen getraind en georganiseerd. Deze terreurbenden infiltreerden in Israël en probeerden daar schrik, dood en verderf te zaaien. Een Palestijnse mythe wordt door genoemde feiten weerlegd.

Deze Palestijnse mythe is met groot succes door zo goed als de hele wereld overgenomen. Iedereen spreekt over Israël als een bezettende macht. Israël zou Palestijns gebied in bezet houden. Maar het was Jordanië, dat de Westbank van 1949-1967 heeft bezet. Het was Egypte dat de Gazastrook in die periode bezet heeft. Israël heeft in 1967 deze gebieden veroverd op die bezetters. Tot 1967 hebben de Palestijnen die gebieden nooit geclaimd. Men zou moeten spreken van ‘betwiste gebieden’ of van ‘beheerde gebieden’.

Het Verdelingsplan, resolutie 181 van de V.N. werd èn door de Arabische landen èn door de zogenaamde Palestijnen verworpen. Hun bedoelingen zijn toen al duidelijk aan het licht gekomen. De Islamitische Arabieren wilden toen en willen ook nu geen onafhankelijke Joodse staat. Het ging en gaat tot op om wat duidelijk in het Palestijns Nationaal Handvest, dat op de 17e juli 1968 door de Vierde Palestijnse Nationale Vergadering in Cairo is aangenomen:

  • Artikel 2: Palestina, binnen de grenzen die bestonden ten tijde van het Britse mandaat, is een onverbrekelijke territoriale eenheid.
  • Artikel 3: Uitsluitend het Palestijns-Arabische volk heeft legitieme rechten op haar thuisland, en zal, na de bevrijding van haar thuisland, rekening houdend met haar wensen en geheel op eigen titel, het recht van zelfbeschikking uitoefenen.
  • Artikel 9: Gewapende strijd is de enige manier om Palestina te bevrijden.

Deze artikelen zijn duidelijk. Heel Palestina, heel het mandaatgebied, moet bevrijd worden door gewapende strijd en moet een Islamitische, Palestijnse staat worden. Zo ziet de PA het nu nog. Ook de ‘vredepartner’ Mahmoud Abbas! Zo worden de Palestijnse kinderen opgevoed. Ondanks herhaalde toezeggingen en een showvertoning van de Palestijnse Nationale Vergadering is dit Handvest nooit veranderd. Het hoofddoel is: Weg met Israël! Een Palestijnse staat op de Westbank en in Gaza is voor hen alleen maar een fase onderweg naar de vernietiging van Israël. Maar De Almachtige, de God van Israël is in 1948 begonnen met het ‘weer opbouwen van de vervallen hut van David’ (Handelingen 15:16). Wie zal Zijn werk kunnen keren?

2. De Sinaïcampagne (1956)

“Indien de autoriteiten van de VN niet in staat blijken de Arabieren tot het nakomen van de wapenstilstandsvoorwaarden en het staakt-het-vuren te dwingen, zal Israël er zelf voor zorgen, dat zijn burgers niet ongestraft gedood worden.”

Ministerie van Buitenlandse Zaken van Israël, oktober 1956

“De dag van Israël’s vernietiging nadert – er zal geen vrede zijn aan de grenzen, want wij willen wraak en wraak betekent de dood van Israël.”

Radio Caïro, september 1955

The day of Israel's destruction is coming closer. There will be no peace on the borders, for we demand revenge and revenge means death to Israel!

De Arabische landen konden zich niet neerleggen bij het bestaan van Israël en bleven de hoop koesteren Israël te kunnen vernietigen. In het zuiden organiseerde Egypte de fedayeen. Dit waren groepjes terroristen en guerillastrijders, die waar ze maar konden Israëlische nederzettingen en individuele burgers overvielen en doodden. Ook vanuit Jordanië en Libanon opereerden fedayeen. Ze werden voornamelijk gerekruteerd uit de vluchtelingen uit de Gazastrook, die opgevoed werden in een sfeer van bittere en blinde haat tegen alles wat Joods was. In het oosten was het Jordanië, dat, vooral rondom Jeruzalem, Israël veel narigheid bezorgde. In het noorden liet Syrië zich niet onbetuigd. In mei 1951 viel een Syrische eenheid Israël binnen, maar deze werd onmiddellijk teruggedreven. De Arabieren konden zich niet neerleggen bij het bestaan van Israël. Het volgende staatje geeft een beeld van de Israëlische slachtoffers van het Arabische terrorisme in die jaren.

Jaar Aantal doden (burgers)
1951 137
1952 147
1953 163
1954 180
1955 258

In totaal vielen er door die overvallen, door mijnen en door beschietingen in de periode van 1949 tot 1956 meer dan 12.000 doden en gewonden te betreuren. De grillige grenzen met Jordanië en Egypte maakten het voor Israël erg moeilijk om zijn burgers afdoende te beschermen tegen deze overvallen van buiten af. Deze voortdurende bedreiging was voor Israël de reden van de Sinaïcampagne in 1956.

Toen bij het begin van de Sinaïcampagne door een Amerikaanse reporter aan de Israëlische premier, mevrouw Golda Meïr, gevraagd werd het “waarom” van deze militaire actie toe te lichten, had zij als antwoord maar één woord:

“SECURITY” (veiligheid).

‘Veiligheid’ is tot vandaag het sleutelwoord van de Israëlische politiek tegenover de Arabische buren en tegenover de Palestijnse terroristen. Voor veiligheid en vrede heeft Israël offers gebracht en risico’s genomen.

Casus belli

De internationale aanleiding voor de Sinaïoorlog was een ingewikkeld politiek samenspel rondom het Suezkanaal. Egypte had al lang de Israëlische scheepvaart door deze belangrijke waterweg moeilijkheden in de weg gelegd. Allerlei sancties op voor Israël bestemde ladingen waren in feite een economische boycot van Israël. Die Egyptische sancties gingen na de wapenstilstand van juni 1949 gewoon door. Ook een resolutie van de Veiligheidsraad van 1 september 1951 kon hierin geen verandering brengen. Totdat president Nasser van Egypte op 26 juli 1956 de Suezkanaal Maatschappij nationaliseerde. De Maatschappij was voor 45% Engels en voor 26% Frans bezit. Deze ‘wereldmachten’ wilden zich niet zonder meer bij de nationalisatie neerleggen. Op zich was de Egyptische nationalisatie van het Suezkanaal een wettige daad. Immers de termijn van 20 jaar, waarvoor koning Faroek het Kanaal in 1936 verpacht had, liep af. Engeland en Frankrijk, die zich toen nog “Grote Mogendheden” voelden, namen dit niet. Vandaar hun actie. Voor Israël betekende het feit, dat het Suezkanaal volledig in Egyptische handen kwam een totale scheepvaartblokkade. Israël zag dit als een casus belli, een ‘oorzaak tot oorlog’. Daarbij kwamen de steeds toenemende infiltraties van de fedayeen vanuit Egypte. Zo werd de blokkade van het Suezkanaal directe aanleiding van de zogenaamde Sinaïcampagne.

Aangemoedigd door Engeland en Frankrijk vielen op 29 oktober 1956 Israëlische legereenheden de Sinaï binnen om de moordenaarsnesten van de fedayeen te vernietigen. Binnen een week waren de door Israël gestelde doelen gehaald. Op de 2e dag van de gevechten mengden Engeland en Frankrijk zich in de strijd tussen Egypte en Israël door van beide partijen per ultimatum te eisen zich op 15 km van het Suezkanaal terug te trekken. Israël deed dat, maar Egypte weigerde. Daarna vielen deze twee mogendheden de Egyptische havenstad Port Said aan. De VN ging zich met de oorlog bemoeien. De VS en de Sovjet Unie oefenden zware druk uit op Engeland, Frankrijk en Israël. Israël trok zich toen uit de veroverde Sinaïwoestijn en uit de Gazastrook terug. Engeland en Frankrijk trokken zich onder druk van de VS terug uit Egypte.

Over to you

Dit was een belangrijk moment in de wereldgeschiedenis. Immers formeel is toen, in 1956, een einde gekomen aan de wereldmacht van Engeland. De Engelse premier Anthony Eden erkende dit feit door een telegram naar de Amerikaanse president te sturen met als inhoud: ‘Over to you’. Sindsdien ligt de last van het supermacht zijn op de schouders van de VS. Natuurlijk probeerde Israël garanties te krijgen voor de vrije doorvaart door de Golf van Aqaba en door het Suezkanaal. Het spreekt vanzelf dat Israël z’n uiterste best deed om zekerheden te creëren, dat de terroristische overvallen uit de periode 1949-1956 zich niet meer zouden kunnen herhalen. Inderdaad, kwamen er internationale verklaringen en een Vredesmacht van de VN in de Sinaïwoestijn tussen Egypte en Israël. In maart 1957 werd er weer een “definitieve” wapenstilstand gesloten.

3. De Zesdaagse Oorlog (juni 1967)

“Ondanks alle toespraken, die we van Arabische afgevaardigden hebben gehoord, zijn we ervan overtuigd, dat voor ons en voor onze buurlanden de dag moet komen, waarop we in vriendschap en samenwerking gaan leven.”

Mevr. Golda Meir tot de VN op 9 oktober 1962

“Het nationale doel van de Arabieren is de vernietiging van Israël.”

President Nasser van Egypte en President Aref van Irak in een gemeenschappelijke verklaring op 25 mei 1965

Rust, immigratie en vijandigheid

De volgende tien jaren was het vrij rustig aan de grenzen van Israël. Er werd hard gewerkt aan de opbouw van het land en voortdurend stroomden er grote groepen immigranten het land binnen.

Jaar Immigranten
1956 56.234
1957 71.224
1958 27.082
1959 23.895
1960 24.510
1961 47.638
1962 61.328
1963 64.364
1964 54.716
1965 30.736
1966 15.730
Joden uit Jemen onderweg naar hun nieuwe en toch zo oude vaderland Klik voor ware grootte
Joden uit Jemen onderweg naar hun nieuwe en toch zo oude vaderland

Economisch en technisch werd Israël steeds sterker. Interessant is dat in die jaren van betrekkelijke rust Israël de handen uitstrekte naar de ontwikkelingslanden. Dit programma begon in 1958 met een klein budget van $ 3,5 miljoen. De volgende 12 jaar had Israël 4.000 specialisten uitgezonden en hadden 15.000 jonge mensen uit ontwikkelingslanden een training in Israël gevolgd.

Maar de Arabische landen konden zich niet verzoenen met het bestaan van Israël. Het Joodse volk was in hun ogen een vreemde indringer, die met z’n volkomen andere cultuur niet in het Midden-Oosten thuis hoorde. De voormalige minister van Buitenlandse Zaken van Israël, Abba Eban schrijft:

“Er is in de moderne wereldgeschiedenis geen tweede voorbeeld van zulk een algehele en vele vormen aannemende vijandigheid.”

Arabische regeringen organiseerden een wereldwijde economische boycot tegen Israëlische goederen. Op diplomatiek gebied werd Israël zoveel mogelijk buitengesloten. De Arabische vluchtelingen uit 1948 werden bewust in hun ellendige toestand gelaten om hen tegen Israël te gebruiken. De Arabische pers begon oude, Europese antisemitische leugens over te nemen. Rusland hielp de Arabieren door gigantische wapenleveranties. De Russen zagen zo kans een eeuwenoude tsaristische wens te realiseren. De Sovjet Unie wilde Russische invloed in het Midden-Oosten en een toegang tot de Indische Oceaan door het Suezkanaal. In de Zesdaagse oorlog hebben de Russen zich dan ook duidelijk aan de kant van de Arabieren opgesteld.

Het voorspel

Internationale politieke waarnemers voorspelden begin mei 1967 dat de betrekkelijke rust, die al tien jaar duurde, voorlopig wel zou blijven. Israël zou, zo dacht men, wel in staat zijn de terroristische overvallen in te tomen. President Nasser was, volgens de politieke analisten, niet sterk genoeg om een oorlog te beginnen. Syrië, dachten dezelfde deskundigen, zou het wel laten de oorlogszuchtige en agressieve taal tegen Israël in daden om te zetten. Die agressieve taal was ‘Arabische folklore’ vond men. Het is opvallend dat ‘deskundigen’ in verband met situaties rondom Israël vaak de plank misslaan en dat politieke machthebbers even vaak verkeerde keuzen maken. Tot op de dag van vandaag!

Alleen zij, die de Bijbel als ‘routekaart’ voor hun keuzen aanvaarden, maken een grote kans maken een goede weg in te slaan.

Gedurende de eerste 14 dagen van mei 1967 begonnen de Russen en de Syriërs valse rapporten te verspreiden over Israëlische troepenconcentraties langs de Syrische grens. De Egyptische president Nasser trok een leger van 80.000 man en 900 tanks in de Sinaïwoestijn samen. Het feit dat de Russen valse berichten hadden verspreid is pas achteraf bevestigd:

“Generaal Fawzi werd kort voor het begin van de oorlog naar Syrië gestuurd om de Syrische en Russische beschuldigingen van Israëlische troepenconcentraties langs de Syrische grens te onderzoeken. Hij ontdekte, dat die beschuldigingen ongegrond waren.”

Shams Badran, voormalig Minister van defensie van Egypte; Nieuws Agentschap van het Midden-Oosten, 24 februari 1968

“Rapporten van waarnemers van de UNTSO (UN Supervisie Organisatie) hebben bevestigd, dat er geen troepenconcentraties en belangrijke troepenbewegingen zijn aan beide zijden van de grenzen.”

Oe Thant, Secr. Generaal van de VN op 19 mei 1967

In een toespraak tot de Knesset op 22 mei verzekerde de Israëlische premier Eshkol de Arabische Staten nog eens, dat Israël geen agressieve bedoelingen tegen hen had. President Nasser en Radio Caïro daarentegen gingen door met hun bedreigingen en hun oorloghitsende taal tegen Israël.

“Het Arabische volk is vast besloten Israël van de kaart te vegen en de eer van Palestina te herstellen.”

Radio Caïro, 25 mei

The Arab people is firmly resolved to wipe Israel off the map and to restore the honour of the Arabs of Palestine.

“Het bestaan van Israël is op zichzelf al een agressieve daad…. We aanvaarden geen enkele wijze van coëxistentie met Israël.”

President Nasser, 28 mei

We will not accept any possibility of co-existence with Israel.

Zo zijn er nog tientallen voorbeelden te citeren van de agressieve taal van de Arabieren tegenover Israël. Die taal en de troepenbewegingen van de Arabische buurlanden maakten dat men in Israël uiterst op z’n hoede en zeer gespannen was. De voortdurende troepenconcentraties van Egypte in de Sinaï, van het Syrische leger op de Hoogten van Golan en van eenheden van Saoedi-Arabië in het zuiden van Jordanië bij Aqaba, waren duidelijke voorbereidingen op een oorlog. Ook trok er een divisie van Irak door Jordanië op naar de Westbank van de Jordaan.

De oorlog

Op 18 mei 1967 verzocht de Egyptische president Nasser de VN hun Vredesmacht uit de Sinaï terug te trekken. Een verzoek dat onmiddellijk ingewilligd werd. Op 23 mei sloot Egypte de haven van Eilat af voor alle scheepvaartverkeer. Een blokkade in de Golf van Aqaba was een volgende ‘casus belli’, oorzaak tot oorlog, voor Israël. Op 26 mei verklaarde president Nasser:

“Nu zal de oorlog algemeen zijn en ons doel is de vernietiging van Israël.”

President Nasser, 26 mei, toespraan Nasser aan 'Arab Trade Unionists' (complete speech na te lezen)

The battle will be a general one and our basic objective will be to destroy Israel.

Toen de VN vredestroepen weg waren, konden de beschietingen door Egypte en de fedayeen van de Israëlische nederzettingen langs de Gazastrook weer beginnen. Syrië begon vanaf de Golanhoogten met artilleriebeschietingen op Israëlische dorpen in het noorden. De Veiligheidsraad van de VN werd toegesproken door de vertegenwoordiger van Egypte. Deze kondigde aan dat er een ‘openlijke staat van oorlog’ bestond tussen Egypte en Israël. Er kwam geen reactie van de VN of van de westelijke landen. Egypte sloot verbonden tegen Israël met Jordanië en met Irak. Israël was helemaal omsingeld door vijandelijke legers. De spanning in Israël liep steeds hoger op. De Israëlische Inlichtingendienst was echter heel goed op de hoogte van de plannen en van de hele situatie bij de Arabische legers. Vandaar dat Israël de Arabieren juist een slag voor was. Op 5 juni 1967 vielen Israëlische vliegtuigen Egypte en Syrië aan. De Egyptische radio meldde aanvankelijk, vermoedelijk geprefabriceerde, boodschappen van enorme successen.

Daardoor misleid liet ook koning Hoessein van Jordanië zich verleiden tot deelname aan de oorlog tegen Israël. Dit ondanks het feit, dat hij van Israëlische zijde ernstig gewaarschuwd was dit niet te doen. Binnen 6 dagen waren de legers van Egypte, Syrië, Irak en Jordanië verslagen, volledig gedemoraliseerd en in paniek op de vlucht. Ze lieten als oorlogsbuit enorme hoeveelheden Russische wapens achter. Dit ontlokte sommige Israëli’s de opmerking, dat de Russen eigenlijk hun grootste vrienden waren; zij immers hadden hen nu al tweemaal gratis van grote hoeveelheden wapens voorzien! Israël veroverde voor de tweede maal de Gazastrook en de Sinaïwoestijn. Ook kwamen de Golanhoogte (het bijbelse Basan) en de Westbank (Judea en Samaria) onder Israëlisch beheer. Ook de oude, historische stad van Jeruzalem en Oost-Jeruzalem vielen in die oorlog in Israëlische handen. De Israëlische professor Flusser (hij doceerde Nieuwe Testament in Jeruzalem) en velen met hem, zagen hierin een (gedeeltelijke) vervulling van de woorden, die Jezus in zijn “Rede over de laatste dingen” over Jeruzalem gesproken heeft:

‘JERUZALEM zal door de heidenen vertrapt worden, TOTDAT de tijden van de heidenen vervuld zijn.’

Lucas 21:24

Israël en de beheerde gebieden na de Zesdaagse oorlog in 1967 Klik voor ware grootte
Israël en de beheerde gebieden na de Zesdaagse oorlog in 1967

Het hele land Israël, zoals God dat aan Abraham en zijn nakroost had beloofd, was nu in Israëlische handen!

4. De Yom Kippur Oorlog (oktober 1973)

 

Een diplomatieke strijd

Evenals na de Sinaïcampagnena werd er na de “Zesdaagse Oorlog” van alle kanten een enorme politieke druk op Israël uitgeoefend om de ‘bezette gebieden’, beter gezegd de ‘beheerde gebieden’ te ontruimen. Ditmaal had Israël de les geleerd. Die les werd extra benadrukt doordat er meteen al in februari 1968 felle gevechten uitbraken tussen Arabische terroristen en het Israëlische leger. Zonder duidelijke concessies van Arabische zijde en zonder duidelijke garanties voor een echte vrede en veiligheid wilde Israël geen terugtrekking uit de ‘beheerde gebieden’. Het terrorisme moest ophouden! Dat roept Israël meer dan een generatie. Helaas vergeefs! Verschillende malen gaf Israël duidelijk te kennen, dat er bereidheid was om rechtstreeks en zonder bepaalde voorwaarden vooraf met de Arabische Staten te onderhandelen. De Israëlische regering was in principe bereid alle ‘beheerde gebieden’ te ontruimen. Behalve Jeruzalem. De Arabieren echter zagen in directe onderhandelingen een indirecte erkenning van Israël. Bovendien liet hun Arabische trots niet toe om de verloren gebieden op deze wijze te herwinnen. Dat moest in bloed en met oorlogsgeweld gebeuren!

Het duidelijkst kwam de Arabische onwil om te onderhandelen tot uiting op de Arabische topconferentie in augustus 1967 in de Soedanese hoofdstad Khartoum. Daar werd besloten tot de “Drie Nee’s van Khartoum”:

  • Geen vrede met Israël.
  • Geen onderhandelingen met Israël.
  • Geen erkenning van Israël.

Schermutselingen rondom het Suezkanaal

Vandaar dat er op 23 juli 1969 door president Nasser een uitputtingsoorlog tegen Israël werd afgekondigd. Hieraan waren ontelbare bestandsschendingen door Egypte vooraf gegaan. Op 8 september 1968 was Egypte met een zwaar artillerieduel over het Suezkanaal begonnen. Ook de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO, een in 1964 opgerichte koepel van de Palestijnse terreurgroepen) liet zich in de eerste jaren na de “Zesdaagse Oorlog” niet onbetuigd. Bomaanslagen en andere terreurdaden in Israël en ook daarbuiten eisten veel slachtoffers. Meestal betrof het buitenstaanders, die niets met het Arabisch-Israëlische conflict uitstaande hadden. Heel vaak waren het hun eigen Arabische stamgenoten, die slachtoffer werden van hun terroristische aanslagen.

De derde moeilijkheid, waar Israël in die jaren na de “Zesdaagse Oorlog” mee te kampen had, werd veroorzaakt door de voortdurende politieke druk van buitenaf. Internationale conferenties, regeringsleiders, politieke partijen, religieuze gemeenschappen, blokken van landen en grootmachten oefenden van alle kanten zware pressie op Israël uit. Israël werd beschuldigd van kolonialisme, expansionisme, onverzoenlijkheid, oorlogsmisdaden, onderdrukking en telkens weer veroordeeld in, honderden resoluties van de VN en van andere internationale organisaties. Ook wat dit betreft is er niets nieuws onder de zon. Altijd krijgen ‘de Joden’ de schuld.

Intussen keerde de rust aan het Suezkanaal weer. Een “definitieve” wapenstilstand werd, vooral door de invloed van de VS, gesloten. Rusland echter bleef de Arabische landen overvloedig van de modernste wapens voorzien. Vooral van luchtafweerraketinstallaties. De Arabische landen, maar ook Rusland, voelden er bitter weinig voor om nog een keer binnen twee dagen door een superieure Israëlische luchtmacht te worden verpletterd. Veel hypermodern Russisch wapentuig was via Israël in Amerikaanse handen gekomen. In die tijd van de ‘Koude Oorlog’ tussen de V.S. en de USSR was dat een enorme klap voor de Russen. Ook de tweede moeilijkheid, waar Israël in die dagen mee te kampen had, werd vrij snel opgelost. In het binnenland en in de beheerde gebieden werd het snel veel rustiger. Het bleek al gauw dat de Palestijnse terroristen bij de Israëlische Arabieren in Israël en in de ‘beheerde gebieden’ in die tijd nauwelijks aansluiting kregen. Want ook de ‘Palestijnen’ in de ‘beheerde gebieden’ gaven “hun” strijders veel minder steun dan men zou mogen verwachten. Stakingen en demonstraties op scholen kwamen in het begin wel voor, maar al na een paar jaar was het in Judea en Samaria zo rustig als het er nog nooit geweest was. Er werd hard gewerkt en ook veel vluchtelingen uit de kampen vonden daar een goed bestaan. Israël liet duizenden vluchtelingen, die tijdens de Zesdaagse Oorlog naar Jordanië waren gevlucht, naar hun woonplaatsen op de Westbank (Judea en Samaria) terugkeren. Het geringe succes van de terroristen was voor een deel ook te danken aan de straffen van de Israëlische militaire autoriteiten. De huizen van hen, die de terroristen hielpen, werden opgeblazen.

Er is een theorie van Mao, die er vanuit gaat, dat guerrillabewegingen, die met succes willen opereren, verzekerd moeten zijn van de steun van de plaatselijke bevolking. De Palestijnse Bevrijdingsbeweging (PLO) kreeg dus aanvankelijk in de ‘beheerde gebieden’ nauwelijks voet aan de grond. Daarna verlegden de Palestijnse terroristen het accent van hun terroristische activiteiten naar landen buiten Israël. Aanvankelijk waren Israëlische eigendommen en personen hun doelwit. Toen ook dit weinig succes bleek te hebben, was er niemand meer veilig voor hun misdadige praktijken, zoals bomaanslagen en vliegtuigkapingen. Israël zelf echter werkte hard aan het vluchtelingenprobleem binnen de bestandsgrenzen. Op 26 februari 1971 bood Israël via dr. Jarring, de bemiddelaar van de VN, aan om te onderhandelen over het betalen van compensaties voor door Palestijnse Arabieren verlaten grond en eigendommen en over deelname van Israël aan plannen voor rehabilitatie van vluchtelingen binnen de bestandsgrenzen. Daar is helaas niet veel van terecht gekomen. De goede wil was er aan Israëlische zijde. De diplomatieke druk op Israël bleef echter aanhouden. Israël wilde ditmaal niet, zoals in 1956, zonder meer uit de in 1967 veroverde gebieden terugtrekken. Omdat er nauwelijks tekenen waren dat de Arabische vijandigheid afnam bleef Israël voortdurend de nadruk leggen op “veilige en verdedigbare grenzen”. Ook werd aangedrongen op directe onderhandelingen met de Arabische landen. De Arabieren bleven bij hun eisen: “onvoorwaardelijke ontruiming van de bezette gebieden en volledig herstel van de rechten van de Palestijnen”.

Wat de ontruiming van de ‘beheerde gebieden’ betreft had Israël in 1956 de les geleerd. Toen waren ze inderdaad teruggetrokken met het gevolg, dat de Arabische agressie en de Palestijnse terreur opnieuw waren begonnen. Het erkennen van wat men noemde “de legitieme rechten van de Palestijnen” zou het einde van de staat Israël betekenen, omdat de PLO noch de Arabische landen een zionistische, dat wil zeggen een Joodse, staat wensten. Wat de PLO betreft was dit duidelijk in het Palestijns Nationaal Handvest vastgelegd. Bovendien zou de terugkeer van alle vluchtelingen het einde van het Joodse karakter van de staat Israël betekenen. De Palestijnse Bevrijdingsbeweging beoogde namelijk een eigen staat waarin Joden van voor de ‘zionistische invasie’ toegelaten zouden worden als een minderheid in een Palestijnse staat. Ook internationale resoluties, die om ontruiming van de beheerde gebieden vroegen, legde Israël op de steeds groter wordende stapel van loze verklaringen. Wel verklaarde Israël telkens weer, dat het niet van plan was zelfmoord te plegen. Immers de oorlogszuchtige bedoelingen van de Arabische landen waren nog steeds niet afgenomen. De Arabieren konden rustig vier of vijf oorlogen verliezen, maar als Israël één oorlog zou verliezen, dan zou dat meteen de laatste zijn. Israël zou van de kaart verdwenen zijn en de Arabische en Palestijnse kaarten, waarop Israël niet voorkomt, zouden geen droom meer zijn voor de vijanden van Israël. De Egyptische president Sadat kon dan wel bereid zijn, zoals hij dan ook verklaarde, om één miljoen jongens op te offeren, maar in Israël treurde men over elke gesneuvelde jongen.

De oorlog

In Israël was er in de jaren na de Zesdaagse Oorlog een vrij groot optimisme. Men was trots op het Israëlische leger en was ervan overtuigd, dat dit leger superieur was boven al de Arabische legers. Er heerste rust aan de grenzen en men was niet ontevreden met de status-quo. Iedereen begreep echter wel, dat het zo niet altijd kon blijven. Er moest een oplossing komen voor de Palestijnen en Israël kon niet altijd aan het Suezkanaal blijven zitten. Een voorbeeld van dit Israëlische optimisme is de uitspraak van Minister Dayan uit eind augustus 1973: “De vrede is nu dichterbij dan ooit tevoren”. Ook de Israëlische Premier, mevrouw Meïr, vertolkte dit optimisme tijdens haar toespraak op Rosh Hashana (het Joodse Nieuwjaar) in september 1973: “Vrede is nu minder ver verwijderd dan ooit”. Een uitspraak die ook gehoord werd na de Camp David overeenkomsten (1978), na de Oslo Akkoorden (1993) en na het lanceren van de ‘Road map’, de routekaart naar de vrede in mei 2003. Een dooddoener van politici dus.

Mevrouw Golda Meïr Klik voor ware grootte
Mevrouw Golda Meïr

Ruim een week na de optimistische uitspraak van mevrouw Golda Meïr brak de “Grote Verzoendag Oorlog” uit. Op 6 oktober 1973, tussen 11.56 en 12.00 uur vielen de legers van Egypte en Syrië Israël aan. De datum was listig gekozen, want de Grote Verzoendag (Yom Kippoer) is voor de Joden een dag, waarop zij zich thuis of in de synagoge door gebed, meditatie en vasten voor God verootmoedigen. Het hele dagelijkse leven in Israël is op Grote Verzoendag onderworpen aan deze plechtige en heilige inkeer tot God. Er waren weinig Israëlische grensbewakingstroepen paraat, zodat de Egyptenaren en de Syriërs het land met een meer dan tienvoudige overmacht binnen konden vallen. In allerijl werd het Israëlische leger gemobiliseerd. Overal zag men soldaten met de gebedsmantels nog om, liftend op weg naar hun onderdeel. Het Opperrabbinaat kondigde in die dagen een dag van gebed en vasten af. Aanvankelijk boekten de Arabische legers inderdaad grote successen. De Syriërs drongen de Golanhoogten binnen en waren een reële bedreiging voor het noorden van Israël. De Egyptenaren trokken massaal het Suezkanaal over. Al heel gauw merkten de Israëli’s tot hun schrik dat de Arabieren niet alleen betere wapens, maar ook veel beter getrainde soldaten hadden. Israël liep groot gevaar onder de voet gelopen te worden door een overmacht aan Arabische legers. Maar na een paar dagen kon de Arabische opmars tot staan gebracht worden. De 12e oktober stonden de Israëlische troepen op 40 km van Damascus. Syrische, Irakese en Jordaanse troepen werden van de hoogvlakte van Golan verdreven. Drie dagen later trokken Israëlische troepen onder leiding van generaal Sharon het Suezkanaal over en komen tot onder de rook van Caïro. Het grote Israëlische tegenoffensief maakte de VN wakker en resolutie 338 riep op tot een staakt-het-vuren. Bij het sluiten van de wapenstilstand had Israël een groot stuk van Syrië bezet en was tot ver in Egypte was doorgedrongen. Bovendien was het 3e Egyptische leger in de Sinaïwoestijn volkomen door de Israëlische troepen ingesloten en stond op ineenstorten.

Een miljoen bemoedigingen voor de Egyptische soldaten

Een belangrijke ontwikkeling in de Midden-Oostenproblematiek is de islamitisch-religieuze component, die in de loop der jaren steeds dominanter is geworden. Aanvankelijk waren het oorlogen, puur terrorisme en een ouderwets antisemitisme die de hoofdrol speelden in de Arabische strijd tegen Israël. Na 1948 kwam de diplomatieke strijd die uitliep op oorlogen daar nog bij. Tussen 1948 en 1967 werden de vluchtelingen speerpunt van de vijandelijkheden tegen Israël. Na de Zesdaagse oorlog werd het ‘vluchtelingenwapen’ steeds belangrijker. Het Egyptische boekje ‘Ons Geloof…’ is een voorbeeld van hoe de religieuze component aan de strijd tegen Israël werd toegevoegd. Ongeveer 3 maanden voor het uitbreken van de “Grote Verzoendag Oorlog” kwam er in Egypte een klein zakboekje van de pers. De titel was: “Ons Geloof – Onze weg naar de Overwinning”. In dit boekje werden de soldaten met citaten uit de Koran aangemoedigd om de Israëli’s moedig te bestrijden. Voor de Koptische militairen werd het Evangelie meermalen in dat zakboekje genoemd. Een miljoen exemplaren van dit boekje zijn gedrukt.

Enkele citaten uit dit boekje van Luitenant-Generaal Sa’ad Shazli:

“Mijn zonen en mannen! De Joden hebben hun grenzen overschreden in ongerechtigheid en bedrog. En wij, zonen van Egypte hebben besloten om ze hun hielen te doen lichten, om al dodend en vernietigend in hun forten rond te snuffelen om zo de schande van de nederlaag van 1967 weg te wissen en onze eer en trots te herstellen. Dood ze waar je ze maar aantreft (zie Koran 2:191 en 4:91) en pas op, dat ze je niet bedriegen want het is een verraderlijk volk. Ze kunnen veinzen zich over te geven om je zo te kunnen overmeesteren en je op deze wijze laaghartig te doden.” “De Islamitische Academie heeft voor de soldaat de allerhoogste oorlogsideologie verkozen, namelijk de Heilige Oorlog voor Allah”.

Inderdaad is het in deze oorlog verschillende malen voorgekomen, dat Israëlische krijgsgevangenen of soldaten, die zich wilden overgeven, in koelen bloede zijn neergeschoten. Aan het Syrische front zijn nog ergere dingen gebeurd. De Israëlische regering heeft de VN een gedetailleerd rapport van deze gruwelen doen toekomen. Door, zoals bovengenoemd boekje deed, de Jihad (heilige oorlog) voor Allah bij de oorlog tegen Israël te betrekken, werd ook deze nederlaag in de ogen van veel Islamieten een beschaming voor de Islam. Opvallend is dat op het moment dat Israël Jeruzalem veroverde de geestelijke leiders van de Arabieren, de imams zich plotseling herinnerden dat Jeruzalem een heilige stad voor de Islam is. Sindsdien is Jeruzalem alleen maar ‘heiliger’ geworden voor de Islamitische massa’s. Sindsdien is de Islamitisch-religieuze component van het conflict steeds dominanter geworden.

De houding van de Wereld

Tijdens de aanvankelijke Arabische successen klonken er geen protesten tegen deze duidelijke Arabische agressie. Christelijke kerken zwegen. Ook de grote kerkgemeenschappen, die er anders altijd zo snel bij zijn met hun vrome verklaringen en plechtige resoluties, lieten niets van zich horen. Wel waren er enkele incidentele oproepen van predikanten en van kleinere groeperingen, maar in grote meerderheid zweeg de kerk. Toen al begon zich een ontwikkeling af te tekenen. Een ontwikkeling die in het begin van de 21e eeuw, vooral in de V.S. heel duidelijk zichtbaar werd. Verschillende rabbijnen waren toen onder de eersten die verbaasd ontdekten dat onder de weinige vrienden die Israël in de wereld overhield veel Christenen waren, die zich bijbelgetrouw noemden. Een voorbeeld is het boek van de Joods orthodoxe Victor Mordecai met als titel: ‘Christian Revival for Israël’s Survival’ Een markant moment in deze ontwikkeling vond plaats in januari 2004 toen de Knesset een commissie benoemde die als opdracht had de banden met de Christenvrienden van Israël te bevorderen en verstevigen.

Israelische soldaten met op de achtergrond de besneeuwde berg Hermon, waar zich mei 1974 hevige gevechten hebben afgespeeld tussen Syrië en Israël. Klik voor ware grootte
Israelische soldaten met op de achtergrond de besneeuwde berg Hermon, waar zich mei 1974 hevige gevechten hebben afgespeeld tussen Syrië en Israël.

Terug naar de Yom Kippoeroorlog. Ook de volkerengemeenschap keek toe. De VN deed in het begin van de Yom Kippoeroorlog niets. Tijdens de bijeenkomsten van de Veiligheidsraad heerste er aanvankelijk grote verwarring. Echter toen bleek, dat Syrië in het noorden verslagen was en dat het Egyptische front in het zuiden dreigde in te storten, kwam de wereld onder leiding van Rusland en de Arabische aanvallers te hulp. Er werd een wapenstilstand afgedwongen.

Begin 1974 kwam het tot de eerste directe onderhandelingen tussen Israël en Egypte. In een tent langs de bestandslijn bij kilometerpaal nr. 101 onderhandelden Israëlische een Egyptische hoge militairen over de praktische uitvoering van een troepenscheiding aan het Sinaïfront. Bij deze onderhandelingen was het weer Israël, dat Egypte de hand toestak. Israël had de grote zedelijke moed risico’s te nemen en enorme concessies te doen aan Egypte. Israël trok de troepen tot ongeveer 20 km van het Suez-kanaal terug. Hierdoor won Egypte enorm aan prestige en werd de opening van het Suezkanaal weer mogelijk gemaakt. Troepen van de VN trokken het vrijgekomen gebied langs het Suezkanaal binnen en vormden weer een buffer tussen de Egyptische en Israëlische troepen.

De onderhandelingen met Syrië verliepen veel stroever. Temeer omdat Syrië lange tijd weigerde de lijst met Israëlische krijgsgevangenen aan het Rode Kruis te overhandigen. De bedoeling was echter, dat na de troepenscheidingen aan het Sinaï- en aan het Golanfront in Genève onderhandelingen over een definitieve vrede zouden worden gehouden. Ook hier werd alleen maar van Israël concessies gevraagd, zonder dat de agressor ook maar iets toe hoefde te geven. Eind mei 1974 sloten Israël en Syrië een troepenscheidingsakkoord. Israël trok zich terug uit alle tijdens deze oorlog veroverde gebieden en ook uit een groot deel van de Golan dat in 1967 op Syrië was veroverd.

Palestijnen pakten hun oude ‘beroep’, terrorisme, weer op. Op 15 mei 1974 werden bij een aanslag op een school in Ma’alot 22 kinderen gedood. Dit is slechts een voorbeeld van de vele terreuracties uit die tijd.

Israël

In Israël zelf was de optimistische stemming van voor de Yom-Kippoer Oorlog volkomen omgeslagen. In plaats van optimisme was weer die eeuwenoude, klemmende vraag van het “overleven” van het Joodse volk temidden van een vijandige wereld actueel geworden. Immers niemand was er, die het voor Israël opnam. Alleen de VS was Israël in de loop van de Yom Kippoeroorlog met grote wapenleveranties te hulp gekomen. Ook Nederland speelde toen nog een positieve rol en hielp Israël met wapens. De meeste Afrikaanse Staten verbraken hun betrekkingen met Israël. Na deze oorlog klonk er weer dreigende taal uit veel landen. Vermanende en dreigende resoluties van de VN vermenigvuldigden zich weer. In plaats van gejuich was er in Israël inkeer. Premier Golda Meïr vertolkte de gevoelens van het grootste deel van het Israëlische volk, toen ze opmerkte, dat na deze oorlog geen Israëli meer dezelfde kon zijn! Rabbijnen in Israël gaven een “Oproep aan het Joodse volk in Israël en in de Diaspora” uit , waarin zij opriepen tot inkeer en berouw. De verklaring begint met woorden van dankbaarheid jegens de ‘Almachtige, Die Israël ook in deze oorlog heeft geholpen’ en gaat verder:

‘Laten we onze wegen doorzoeken en doorvorsen en ons bekeren tot de HERE.’

Klaagliederen 3:40

“We moeten ons afvragen voor wiens rekening en om welke reden dat vreselijke gericht over ons komt!
Misschien waren we schuldig tegenover de Hemel, toen we in een overwinningsroes leefden na de “Zesdaagse Oorlog”.
Of misschien dachten we toen, dat wat we wonnen, bereikt werd in onze eigen kracht.
Of misschien is het dat onze morele en sociale levensstandaard gedaald is; de onderlinge haat en het verwerpen van het geloof, een houding die algemeen opgang doet in ons leven.

Misschien heeft al dit de bijzondere verhouding van de Joden tot de Almachtige aangetast.”

De verklaring wijst verder wegen tot berouw en inkeer en spreekt vanuit de Bijbel troostende en bemoedigende woorden tot het volk van Israël.

5. Libanon Oorlog 1 (1982-1983)

Jarenlang is Libanon een voorbeeld geweest van een land waar een zeker evenwicht bestond tussen Moslims en Christenen. Het land was dermate welvarend dat het vaak “het Zwitserland van het Midden Oosten” werd genoemd.

Sinds de tweede helft van de zeventiger jaren van de vorige eeuw is daar op tragische wijze een eind aan gekomen. De PLO (Palestijnse Bevrijdings Organisatie) heeft daar een kwalijke rol bij gespeeld.

In 1964, dus nog voor de Zesdaagse Oorlog, hadden de Arabische landen de verschillende Palestijnse terreurorganisaties verenigd in de PLO, de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie. De leider van de grootste groep el-Fatah, Yasser Arafat, werd in 1967 voorzitter van de PLO. Vanuit omliggende landen werden terroristische acties ondernomen. Niet alleen Israël, maar ook een van hun ‘gastlanden’ Jordanië werd door Arafat en de zijnen lastig gevallen. Er waren plannen om het regiem van koning Hoessein, de vader van de huidige koning Abdoellah II, ten val te brengen. Met veel geweld heeft koning Hoessein in september 1974 de PLO uit Jordanië verdreven. Er vielen volgens schattingen van 6.000 doden. Veel Palestijnse terroristen vluchtten over de Jordaan naar de ‘beheerde gebieden’ en werden niet onvriendelijk door Israël ontvangen. De Palestijnen noemden deze ramp die hun Jordaanse broeders over hen brachten, “Zwarte September”. De rest van de PLO trok naar Zuid Libanon en vestigde daar een terreurstaatje. Ook Syrië zocht en kreeg steeds meer macht in Libanon. Het plaatste Russische SAM-raketten in de Libanese Bekaa-vallei. Maar van buiten zag het er nog fraai uit. Yasser Arafat beschreef Libanon als volgt:

“In het Libanese experiment hebben we een belangrijk voorbeeld, dat heel dicht bij de multi-religieuze staat, die ons voor ogen staat, komt.”

“The Economist” in Londen van 12 april 1975

Maar in 1975/1976 was de situatie in Libanon erg gecompliceerd geworden en raakte uit het evenwicht. Het zal zelfs voor historici een zeer moeilijke taak zijn om een sluitende verklaring te geven van al de krachten die geleid hebben tot de vreselijke burgeroorlog, waarbij Syrische, Arabische, PLO, Libanese groepen en andere krachten bij betrokken waren. Eerst waren er zogenaamde linkse moslims die samen met de PLO Christenen afslachtten. Gruweldaden waren aan de orde van de dag. Het Christelijke volksdeel van Libanon dreigde ten onder te gaan. In enkele maanden, van augustus 1975 tot mei 1976 werden er 20.000 mensen (meest Christenen) gedood en vielen er ongeveer 50.000 gewonden. De Veiligheidsraad van de VN verspilde geen woord aan deze tragedie en ook de meeste kerken zwegen. Men was te druk bezig met het veroordelen van Israël. En men maakte zich druk over het feit dat Israël de RK terroristenbisschop Capucci wegens wapensmokkel voor de PLO had gearresteerd en gevangen gezet. Het uitmoorden van een bevolkingsgroep en de integratie van een vredelievend en welvarend land lag niet binnen de interessesfeer van de V.N. of van de meeste kerken. Toen al struikelde de internationale gerechtigheid over Israël.

Terug naar Libanon. Toen de PLO aan de winnende hand was koos Syrië plotseling de kant van de Christelijke Phalangisten. Er kwam een hevige strijd tussen de Syriërs en de Phalangisten aan de ene kant en de PLO met de Libanese Moslimgroepen aan de andere kant. De kwestie Sabra en Shalitilla (zie volgende paragraaf) moet in dit licht worden gezien). De PLO leed zware verliezen en weer waren de Palestijnen in de vluchtelingenkampen de dupe. Duizenden vonden de dood. De Palestijnen hebben meer te vrezen van hun Arabische ‘broeders’ dan van Israël! Maar… de PLO mocht niet ten onder gaan. De Israëlvijandige Arabische landen hadden de PLO en het vluchtelingenprobleem nodig in hun strijd tegen de ‘zionistische vijand’. Zij waren de nederlagen in de drie oorlogen tegen Israël niet vergeten en de Arabische eer eiste revanche en wraak. Dus hield Syrië in het najaar opeens op met het bestrijden van de PLO. De restanten van de PLO terroristen verbroederden zich met de Moslim moordenaars van hun medestrijders. Toen begon het terrorisme vanuit Libanon opnieuw en met nieuwe kracht. De voortdurende terroristische aanvallen en beschietingen vanuit Zuid Libanon vormden een bedreiging voor Israël. Een paar voorbeelden:

  • In november 1977 werd het stadje Naharia in Noord Israël door de Palestijnen met raketten beschoten. Verschillende Israëli’s kwamen om het leven.
  • In maart 1978 kaapten Palestijnse terroristen vanuit Libanon twee Israëlische bussen en vermoordden 37 inzittenden.

Daarna voerde het Israëlische leger een korte actie in Libanon uit met het doel een einde te maken aan de Palestijnse overvallen. Dat bleek vergeefs, want de overvallen gingen door. In juni 1982 trok het Israëlische leger onder leiding van generaal Sharon, Libanon binnen met het doel de PLO te verdrijven. Het sleutelwoord voor de Israëlische acties en politiek was, is en moet tot op heden helaas blijven: VEILIGHEID.

Aanvankelijk werden de Israëli’s vooral in Zuid Libanon met gejuich en als bevrijders begroet. De SAM-raketten werden binnen zes minuten vernietigd. Sharon trok verder tot in West Beiroet. De PLO werd verdreven en vestigde zich toen in Tunis. Eind augustus 1982 vertrokken er ruim 14.000 PLO-strijders met de leiding van de PLO naar Tunis. Maar in het door Syrië bezette deel van Libanon bleven nog duizenden PLO-terroristen over. In mei en juni 1985 trokken de Israëlische troepen zich uit Libanon terug. Alleen werd nog 15 jaar een smalle veiligheidszone van 15 –18 km langs de grens met Libanon in samenwerking met het Zuid Libanese leger onder controle gehouden.

In mei 2000 trok Israël zich eenzijdig uit die veiligheidszone terug. De VN, beslist geen Israël-vriendelijke organisatie, gaf te kennen tevreden te zijn met deze terugtrekking. Toch heeft dit ‘gebaar van goede wil’ van Israël niet de veiligheid gebracht waar Israël al sinds de stichting van de staat in 1948 naar snakt. De door Syrië gesteunde en aangestuurde terroristenbeweging Hezbollah vulde vrijwel direct het ontstane machtsvacuum in Zuid Libanon in. Naar schatting had de Hezbollah begin 2004 12.000 raketten waarmee het grootste deel van Noord Israël bereikt kan worden. Die raketten joegen sinds het begin van deze eeuw in Noord Israël de Israëli’s regelmatig naar de schuilkelders. Via Syrië kan Hezbollah scudraketten met de bijbehorende chemische wapens krijgen. De situatie aan de noordgrens van Israël is in de loop van 2004 steeds meer gespannen geworden.

Sabra en Shatilla

In de tweede helft van de zeventiger jaren speelden zich heel wat drama’s, opstanden en oorlogjes af in Libanon. In dat land hadden Christenen en Moslims eeuwenlang in vrede met elkaar geleefd. Er was een soort machtsevenwicht tussen beide bevolkingsgroepen ontstaan. Libanon was lange tijd een welvarend land en werd ‘het Zwitserland van het Midden Oosten’ genoemd.

Door de groeiende invloed van Syrië en met de komst van de PLO in Zuid Libanon kwam er onrust in het land. Verschillende partijen werden zwaar bewapend en gingen elkaar bestrijden. De Syriërs trokken nu eens partij voor de groepen met een Christelijke achtergrond en dan weer voor de Islamieten. Het land was vol oorlog en geweld. In hun strijd met de Palestijnse terroristen (zie ook hierboven) waren de Israëlische troepen tot in West Beiroet gekomen. De Palestijnse wijken Sabra, Shatilla en Fakahani waren door Israël omsingeld met als doel zo’n 2.000 PLO terroristen uit te schakelen. Falangisten, dat waren Libanees-Christelijke troepen, wilden zich wreken op de PLO-terroristen die vreselijk hadden huisgehouden onder de Christenen in Zuid Libanon. Op 16 september 1982 drongen de milities van de Falangisten Sabra en Shatilla binnen en hebben daar een bloedbad aangericht, waarbij ook veel vrouwen en kinderen omkwamen. Onmiddellijk en bijna gretig wezen beschuldigende vingers naar Israël. De meest gematigde beschuldiging was nog dat Israël als bezettende macht, verantwoordelijk was voor de veiligheid van de bewoners. Israël trok zich deze beschuldiging aan en generaal Sharon werd dan ook kort daarop van zijn functie ontheven. Anderen trekken nog steeds de juistheid van deze beschuldiging in twijfel en leggen de verantwoordelijkheid geheel bij de strijdende Arabische partijen in het algemeen en bij de Falangisten in het bijzonder. In Israël werd het ontslag van Sharon voor velen meer als een politieke dan als een ethische daad gezien. Hoe het ook zij, de naam Sabra en Shatilla staat voor een van de vele tragische en vreselijke momenten uit de geschiedenis van meer dan 55 jaar van Arabische pogingen Israël te vernietigen.

6. De eerste intifada

Het begin van de eerste intifada (opstand) van de Palestijnse Arabieren had niets met de PLO te maken. De directe aanleiding was een dodelijk ongeluk in Gaza, waarbij een Israëlische vrachtauto betrokken was. Dat gebeurde op 9 december 1987. Overal in Judea, Samaria (de Westbank) en in de Gaza Strook braken rellen tegen het Israëlische gezag uit. Deze ‘eerste intifada’ duurde tot 1993. In die periode tussen 1987 en 1993 is er heel wat gebeurd. Het is belangrijk op te merken dat deze opstand voor de leiders van de PLO in Tunis als een verrassing kwam. Pas na verloop van tijd wist de PLO de leiding over de intifada over te nemen. In het begin was het een volksopstand die met stenen, ijzeren staven en molotovcocktails werd gevoerd. Het Israëlische leger wist aanvankelijk niet hoe ermee om te gaan en greep af en toe hard in. Veel Arabieren en ook Israëli’s kwamen om. De PLO maakte van de chaos en de anarchie in de ‘beheerde gebieden’ gebruik om daar de macht over te nemen. Honderden politieke tegenstanders en mensen die verdacht werden met Israël samen te werken, werden vermoord.

Ook op het internationale diplomatieke front ontplooide de PLO vanuit Tunis veel activiteiten. Arafat kreeg gelegenheid de Algemene Vergadering van de VN toe te spreken en werd daar op 13 december 1988 enthousiast toegejuicht. Deze vergadering vond speciaal plaats in Genève en niet in New York omdat de VS Arafat als een terrorist beschouwde en de toegang tot de VS weigerde. Een paar dagen later verklaarde Arafat dat de ‘PLO het terrorisme afzweert en het bestaansrecht van Israël erkent’.

De loop van de geschiedenis heeft ook deze ‘verklaringen’ van Arafat weerlegd. Een diep teleurgestelde diplomaat merkte in dit verband eens op: ‘Er is geen overeenkomst die Arafat met wie dan ook gesloten heeft, die hij niet heeft geschonden’.

Tot op heden is de door Arafat en de zijnen gesteunde, gefinancierde en zelfs ook daadwerkelijk gepleegde terreur doorgegaan. Het diplomatieke front van de strijd tegen Israël is in die tijd geopend en zou steeds belangrijker worden. Tegelijk werd er nog een derde front geopend. Door de intifada had Israël een slechte pers gekregen en Arafat en de zijnen wisten daar handig gebruik van te maken. Op het mediafront hebben de PLO en de Arabische medestanders zeer belangrijke overwinningen geboekt. In het Westen werd ‘vrede’ verkondigd en tegen de Arabische en Palestijnse achterban de oorlog tegen Israël. Op beide fronten boekte Arafat en z’n PLO dus aanzienlijke successen. Zij slaagden met behulp van internationale media en mediadeskundigen erin de beeldvorming volkomen om te draaien. Een enkel voorbeeld:

  • Tot omstreeks 1980 was Israël de kleine David die zich moedig verzette tegen de Arabische reus Goliath. Daarna werden de rollen omgedraaid. De Palestijnen werden geschetst als ‘het moedige, onderdrukte Palestijnse volk’ en speelde voortaan in de media de rol van David en Israël was de wrede reus Goliath geworden.
  • Israël wordt nu algemeen gezien als ‘bezetter’ van Palestijns land. Terwijl er nooit een Palestijns land, noch een Palestijnse staat en nooit een Palestijns volk is geweest.
  • Israël werd en wordt nog steeds beschuldigd van alles wat de Palestijnse terroristen zelf doen. Israël en niet hun eigen leiders wordt gezien als de schuld van de ellende in de gebieden.
  • Valse beeldvorming rond de Israëli’s die in Judea en Samaria wonen. Ze zijn door deze mediaoorlog omgevormd tot ‘kolonisten’ die de vrede in de weg staan.
  • De leugen dat een Palestijnse staat in Judea en Samaria het doel is van de terroristische acties. Het is alleen maar een fase in de strijd van de Islamitische Arabieren om Israël van de wereldkaart te verwijderen. Hun aardrijkskundige kaarten, waar Israël niet op voorkomt, verraadt hun voornemens.
  • De leugen van de ‘routekaart naar vrede’ dat een Palestijnse staat vrede en veiligheid zal brengen.
  • Subtiel maar ernstig en gemeen is het gelijkstellen van het Islamitisch-Palestijnse terrorisme met de verdedigende acties van Israël. Men spreekt dan van de ‘spiraal van geweld’ en van ‘wraakacties’. Het antwoord van mevr. Golda Meïr, voormalig premier van Israël, is kenmerkend voor de houding van de meeste Israëli’s:
    ‘Ik kan het de Palestijnen vergeven dat ze onze jongens doden; maar ik kan het niet vergeven dat ze onze jongens dwingen om te doden’.
  • Premier Sharon (die overigens nog steeds in coma ligt), die beklad werd als een wrede terrorist.

Deze mediaoorlog is al lang door de vijanden van Israël gewonnen. Getuige hiervan is het schrikbarend toenemen van een wereldwijd antisemitisme. De succesvolle mediaoorlog is dus tijdens de eerste intifada begonnen.

Vanuit Tunis werd de strijd op het diplomatieke front krachtig opgepakt door de PLO. Op 15 november 1988 riep de Nationale Vergadering van de PLO de ‘Onafhankelijke staat Palestina’ uit.

Onmiddellijk waren er wel 20 landen die ‘Palestina’ erkenden. In de loop van 1989 kreeg de PLO het recht van de VN om de naam ‘Palestina’ te gebruiken. Canada, Italië en andere landen gaven de PLO vertegenwoordiging een status van bijna-ambassade. Joegoslavië maakte van het plaatselijke PLO kantoor zelfs een officiële ambassade. Een belangrijke stap in de propagandaoorlog was de verklaring van Arafat dat de paragrafen in het Palestijns Nationaal Handvest, die oproepen tot het met geweld vernietigen van Israël, geschrapt zouden worden. Wat in feite nog nooit is gebeurd. Zijn tactiek bleek zeer succesrijk. In Westelijke hoofdsteden werd hij als een staatshoofd ontvangen en sprak hij ‘redelijke taal’ en over vrede en erkenning van Israël. Maar in het Arabisch sprak hij de taal van het geweld en het vernietigen van Israël. Vanuit Tunis werd het terrorisme tegen Israël gedirigeerd. Een kleine tabel van de Israëlische burgerslacht offers van de Palestijnse terreuraanslagen in die periode illustreert de ware bedoelingen van de PLO:

1988 14
1989 47
1990 23
1991 26
1992 39

In die periode zetelde de PLO dus in Tunis, maar de wrede hand van de terroristen strekte zich nog steeds uit naar het volk van Israël. Een terroristische aanslag via de zee in mei 1990 en veel andere aanslagen werden door Israël verijdeld. Er is ook een andere kant van deze tabel met slachtoffers van de PLO terreur. In die tijd stonden nog veel Arabieren in de Westbank achter Israël. Misschien is het beter te zeggen dat ze niets voelden voor de terroristen van Arafat en de PLO. Zij gaven bloed voor Israëlische slachtoffers, zij gaven terroristen aan, en er waren zelfs die vrijwillig diensten aan het Israëlische leger aanboden. De toename van de terreur en het aantal slachtoffers aan beide zijden en ook de toename van de haat tegen Israël is dan ook uitsluitend te danken aan de terugkeer na Oslo akkoorden (1993) van de PLO in de ‘beheerde gebieden’. In de diplomatieke oorlog en in de mediaoorlog boekte de PLO veel winst. Het geschetste beeld van arme, onderdrukte Palestijnen die door een wrede Israëlische bezetting van ‘hun’ land en van een menselijk bestaan werden beroofd, kreeg door continue herhaling van de leugens langzaam maar zeker het stempel van werkelijkheid.

7. De Oslo Akkoorden

Intussen had president Bush Sr. van de VS in februari 1991 de Eerste Golfoorlog van Saddam Hoessein, de dictator van Irak, gewonnen. Op dringend verzoek van de VS had Israël niet gereageerd op de aanval met scudraketten op Israël. Velen zagen het feit dat deze aanval in Israël alleen materiële schade had veroorzaakt als een wonder. Na de grote overwinning van de VS op Irak wilde president Bush Sr. de Midden Oostenproblematiek oplossen. De VS begon steeds meer druk op Israël uit te oefenen. Israël werd naar Madrid ontboden. Onder leiding van de VS waren Syrië, Libanon en Jordanië daar de gesprekpartners. De PLO mocht niet meedoen. Lokale Palestijnse vertegenwoordigers maakten deel uit van de Jordaanse delegatie. De opzet was om zonder de terroristen met lokaal Palestijns leiderschap tot een vergelijk te komen. De onderhandelingen werden later, in augustus 1992 in Washington voortgezet, waar Israël door de VS weer onder zware druk werd gezet. Inmiddels werd èn door Israël èn door de VS het verbod om met vertegenwoordigers van de PLO te onderhandelen opgeheven.

In Oslo vonden in de loop van 1993 uiterst geheime besprekingen plaats tussen vertegenwoordigers van de PLO en van de Labour-regering van Israël. Zo kwamen tenslotte de beroemde, voor velen inmiddels beruchte Oslo-akkoorden tot stand.

De 13e september 1993 startte het zogenaamde Oslo-vredesproces met een plechtige ondertekening door de Arafat van de PLO en Rabin de premier van Israël in Washington. (Het feit dat Arafat en Peres de Nobelprijs voor de vrede hebben gekregen zal door toekomstige historici als een raadsel worden gezien).

De bedoeling van de Oslo-akkoorden was dat de Palestijnen steeds meer autonomie (zelfbestuur) zouden krijgen in steeds meer ‘beheerde gebieden’. Na vijf jaar zou er een definitieve regeling moeten komen. De PLO erkende ‘het recht van Israël om in vrede en veiligheid te bestaan’ en zegde toe om te werken aan ‘een vreedzame oplossing van het conflict’ en dat ‘alle openstaande kwesties … door middel van onderhandelingen zullen worden opgelost’. Verder beloofde de PLO ‘het gebruik van terrorisme en alle andere daden van geweld af te zweren’. Ook werd toegezegd die passages uit het Palestijns Nationaal Handvest, waarin opgeroepen wordt de Joodse staat te vernietigen, te schrappen.

De 4e mei 1994 is een historische datum voor de Palestijnen, al zullen ze dat niet gauw toegeven. Israël trok zich terug uit Gaza en Jericho en de PLO kreeg volledige zeggenschap over civiele (burgerlijke) zaken en over de interne veiligheid. Voor het eerst in de geschiedenis krijgen de zogenaamde Palestijnse Arabieren zelfbestuur. Verder werd een tijdschema, dat men ‘de klok van Oslo’ noemde, vastgesteld waarin er nog meer aan de Palestijnse Autoriteit (PA) zou worden overgedragen. Arafat haastte zich om uit Tunis te vertrekken en kwam een kleine twee maanden later in Gaza aan. Hij werd onmiddellijk voorzitter van de PA. Zo kwam de PLO via Oslo weer terug in de beheerde gebieden en werden Judea, Samaria en de Gazastrook weer ‘bezet gebied’, maar nu door de PLO. Met uitzondering van de nederzettingen die inmiddels door Israëli’s grotendeels op de kale heuvels en op gouvernementsgronden van Judea en Samaria waren gevestigd. Men zou verwachten dat het ‘vredespoces’ nu zonder incidenten zou verlopen. De volgende tabel van Israëlische slachtoffers van terroristische aanslagen laat een heel ander beeld zien. Ondanks ‘Oslo’ en ondanks de fraaie toezeggingen van Arafat nam de terreur dramatisch toe:

Jaar Doden Verminkten en gewonden
1993 64 Iets boven de honderd
1994 73 Boven de twee honderd
1995 52 Ongeveer twee honderd vijftig
1996 92 Iets boven de drie honderd
1997 29 Iets boven de honderd

Een gemiddelde toename van meer dan 100% vergeleken met de jaren ‘voor Oslo’. Het ‘vredesproces’ bracht Israël in die jaren niet meer veiligheid. De Oslo-akkoorden werden in Israël later een ‘verbond met de dood’ genoemd. De schendingen van de Oslo-akkoorden door de PA vonden op bijna elk onderdeel van de overeenkomst plaats:

  • Het Palestijns Nationaal Handvest, waarin wordt opgeroepen Israël te vernietigen, is ondanks toezeggingen en ondanks verplichtingen volgens de Oslo-akkoorden, niet gewijzigd. De doeleinden van de PLO blijven op papier en in de praktijk duidelijk. Het vervangen van de staat Israël door een Islamitsch-Palestijnse staat.
  • In 1974 heeft de Palestijnse Nationale Raad de zogenaamde gefaseerde strijd om Palestina als officiële tactiek aanvaard. Dat betekende dat stap voor stap en gebied na gebied op de ‘zionistische entitieit’, zoals men Israël noemde, zou moeten worden veroverd. De door de Oslo-akkoorden verkregen autonomie was een eerste stap.
  • Terreurorganisaties zoals Hamas, de Islamitische Jihad en het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina kregen meer en meer de vrije hand om vanaf de gebieden onder gezag van de P.A. de opereren. Zelfs el-Fatah, de grootste groep binnen de P.A., de organisatie van voorzitter Arafat, begint met een terroristische afdeling op te zetten. Deze groep werd enkele jaren later de al-Aksa Martelaren genoemd.
  • Illegale wapens werden niet in beslag genomen. In tegendeel, er worden grote hoeveelheden wapens gekocht en bijvoorbeeld door tunnels uit Egypte binnen gesmokkeld.
  • Arafat zelf heeft op 9 mei 1997 ‘groen licht’ gegeven aan de terreurorganisaties. Dit als onderdeel van een nieuwe tactiek van de PLO. Deze tactiek is even wreed als effectief. De redenering achter die tactiek is als volgt:
    “Houdt Israël door voortdurende en toenemende terreur onder druk. Zo zullen ze uiteindelijk stap voor stap toegeven aan de eisen van de PLO”.
    Die eisen houden niet op bij een Palestijnse staat op de Westbank en in de Strook van Gaza met Jeruzalem als hoofdstad. Herhaaldelijk is door verschillende P.A. functionarissen benadrukt dat ‘heel Palestina’ hun doel is. Dat komt overeen met de eisen van de Islamitisch-Arabische wereld.
  • De overeengekomen bescherming en vrije toegang van Christelijke en Joodse heilige plaatsen is niet gerealiseerd. De toegang tot de Tempelberg is lange tijd aan Christenen en Joden ontzegd. Pas in juni 2003 mochten weer kleine groepen de Tempelberg betreden. Georganiseerde gewelddadigheden en rellen bij het graf van Rachel in Bethlehem. Het graf van Jozef in Nabloes (het bijbelse Sichem) vernield en veranderd in een moskee. Het Russisch-orthodoxe klooster in Hebron door de PA in beslag genomen en onteigend.
  • Anti-Israël propaganda, het zaaien van haat tegen Israël en het Joodse volk, opruiende redevoeringen tijdens massabijeenkomsten en ophitsing tot geweld. Ook dit was ‘verboden’ volgens de Oslo-akkoorden. Het ergste was en is nog steeds dat kinderen, zelfs kleuters, werden volgegoten met anti-Joodse en anti-Israël propaganda. Jodenhaat werd hen met de paplepel ingegoten. Dit alles heeft een gewelddadige generatie voortgebracht die een diepe haat tegen Israël en het Joodse volk koestert. Zelfs een Palestijnse psycholoog heeft hiertegen gewaarschuwd. Vrede kan er, menselijkerwijs gesproken, niet binnen een generatie plaatsvinden.

Het zal niemand verbazen dat het vredesproces omstreeks de millenniumwisseling al door waarnemers failliet werd verklaard. Tegelijk nam de internationale druk op Israël toe. De staat Israël werd bijna gedemoniseerd en ook de terroristische druk nam steeds meer toe. Terrorisme was langzamerhand een middel geworden om Israël op de knieën te krijgen en om zo meer concessies af te dwingen. Elke concessie werd door de PA in het bijzonder en door de Arabieren in het algemeen als een overwinning gezien. De terugtrekking van Israël uit Zuid Libanon in mei 2000 werd door de Hezbollah als een overwinning gevierd en werd een aanmoediging voor Arafat en de zijnen om de terroristische druk op Israël op te voeren. Immers, het bleek dat terrorisme loont.

8. De el Aksa-intifada

Intussen ging het Oslo-proces door. In september 1995 werden Palestijnse dorpen en steden op de Westbank aan de Palestijnse Autoriteit (PA.) overgedragen. Begin 1997 wordt 80% van Hebron aan de PA overgedragen. Deze overdracht heeft inmiddels aan heel wat Israëlische burgers in de Joodse enclave in Hebron het leven gekost. Eind 1998 trok Israël zich uit nog meer gebied terug. Maar het terrorisme ging ‘gewoon’ door en de kwesties Jeruzalem en de terugkeer van grote aantallen vluchtelingen bleken steeds grotere struikelblokken te worden op de weg naar vrede in het Midden Oosten.

President Bill Clinton ontbood toen voorzitter Yasser Arafat van de PA en premier Ehud Barak van Israël naar Camp David in de VS en sloot zich met de beide leiders in het landgoed op. Harde onderhandelingen volgden. Uiteindelijk bood premier Barak de leider van de PA een Palestijnse staat aan in zo’n 95% van de ‘beheerde gebieden’. De andere problemen zouden door latere onderhandelingen worden opgelost. De oud-minister van buitenlandse Zaken van Israël, Abba Eban, heeft eens gezegd:
‘De Palestijnse leiders hebben nooit een kans gemist om een kans te missen’.

Dit was inderdaad de vierde of vijfde keer dat de Palestijnen een kans hadden op een staat. Arafat weigerde. Barak en ook Clinton legden duidelijk en openlijk de schuld bij Arafat die niet bij machte zou zijn het conflict te eindigen. Deze Camp David mislukking was de aanleiding tot wat genoemd werd de El-Aksa intifada. De directe aanleiding was het bezoek van Sharon, toen lid van het Israëlische parlement de Knesset, aan het Tempelplein. Hierover drie opmerkingen:

  1. Sharon wilde als Knessetlid controleren of er illegale opgravingen en bouwactiviteiten plaatsvonden op de Tempelberg. Dat was inderdaad het geval.
  2. Later heeft Barak toegegeven dat hij Sharon toestemming heeft gegeven omdat deze hem onder zware druk had gezet. Sharon zou eerder Barak als politiek tegenstander willen provoceren dan de Moslim Palestijnen.
  3. De Palestijnse minister van informatie Imad Faluji merkte op 2 maart op dat ‘het’ (de intifada) was reeds gepland sinds voorzitter Arafat terugkwam van Camp David toen hij de tafels omkeerde op de vroegere Amerikaanse president en de Amerikaanse voorwaarden verwierp.

Deze intifada was dus gepland en het was niet zoals het Egyptische weekblad Al-Achram schreef: ‘Ariël Sharon bracht, met een beetje hulp van Barak, het proces op gang dat een einde zou maken aan het 25-jaar-lange vredesproces’. Verder schreef dit blad: ‘Meer dan Sharon’s bezoek was het de doelbewuste moord op de 12-jarige Mohammed al-Doera dat de opstand inluidde’.

Het tragische verhaal van dat kleine jongetje zullen de meeste lezers wel op tv. hebben gezien. Door veel landen gingen de beelden van de kleine Mohammed. Hij en zijn vader waren terecht gekomen in schotenwisseling tussen terroristen en Israëlische troepen. Hoe zij daar kwamen zal wel altijd een raadsel blijven. Hoe de tv. zo op tijd ter plaatse was en zo’n schitterende plaats voor opnamen had, zal ook wel een raadsel blijven. Mohammeds vader dook weg achter een ton en de kleine jongen dook achter zijn vader aan. Toen werd hij dodelijk getroffen. Veel later is uitgezocht, o.a. door Duitse onderzoekers en tv., dat Mohammed omgekomen is door Palestijns geweervuur! Maar hij wordt nog steeds geëerd als een Palestijnse martelaar van de Israëlische bezetting. De hele zaak is in scène gezet!

Het is duidelijk, dat de wereldpolitiek zich steeds meer om het Midden-Oosten centreert.

9. Libanonoorlog 2 (12/07/2006 - 14/08/2006)

De directe aanleiding tot de zogenaamde 2e Libanonoorlog was het feit Hezbollahterroristen (Hezbollah betekent Partij van Allah) raketten op Israël afschoot terwijl een groep terroristen Israël binnenviel, drie soldaten doodde en twee (Ehud Goldwasser en Eldad Regev) gevangen nam. Een vergeefse poging om die twee te redden kostte nog vijf Israëlische soldaten het leven. Israël antwoordde met luchtaanvallen en artillerievuur. Hezbollah reageerde met golven raketten (door Syrië en Iran geleverd) op Noord Israël tot zelfs op Haifa. Totaal werden er meer dan 4.000 merendeels Katyusha raketten op Israëlische en ook Arabische dorpen en steden in Noord Israël afgevuurd. De Israëlische luchtmacht vloog meer dan 12.000 keer uit om Hezbollah stellingen te bestoken. Het grote probleem was dat die stellingen midden tussen de burgerbevolking lagen en dat de terroristen regelmatig burgers als schild gebruikten. Heel wat infrastructuur in Libanon werd vernietigd en, wat erger is, er vielen ook veel burgerslachtoffers. Ook in Israël vielen er slachtoffers en werd er veel vernietigd door de rakettenregen. Ten slotte besloot de aarzelende Israëlische regering tot een grondoffensief, dat ook niet het beoogde doel, het uitschakelen van Hezbollah, bereikte. Ten slotte kwam op 14 augustus 2006 een staakt het vuren tot stand. Beide partijen aanvaardden resolutie 1701 van de VN. Israël trok zich terug en Hezbollah zou ontwapend worden.

Het zal niemand verbazen dat Hezbollah nu weer gelegerd is in Zuid Libanon en 30.000 – 40.000 raketten met een goed bewapend en getraind leger klaar staat om na het groene licht van de Syrische en Libanese bazen weer zal gaan schieten.

Velen in Israël zien de Hezbollahoorlog als een nederlaag.

Hoe nu verder?

Intussen heeft de PA met achter zich de Arabische Liga, de mediaoorlog gewonnen. Israël staat alleen. De VN, waarin de Arabische landen een automatische meerderheid van 150 van de ruim 200 staten achter zich krijgen, heeft al meer dan 400 anti-Israël resoluties aangenomen. De meeste bindende resoluties van de Veiligheidsraad zijn door een veto van de VS geblokkeerd. Het resultaat is echter wel dat Israël een ‘pariastaat’ is geworden. Ook van de EU heeft Israël niet veel goeds te verwachten.

Diezelfde mediaoorlog, die als wapens eenzijdige berichtgeving, hele leugens en halve waarheden hanteert, heeft ervoor gezorgd dat 59% van de Europeanen Israël als het grootste gevaar voor de wereldvrede ziet en dat het antisemitisme momenteel erger is dan in de jaren vlak voor de Tweede Wereldoorlog. De EU treft, met behulp van de NAVO voorbereidingen, om een vredesmacht voor het Midden Oosten samen te stellen. Ook de VN zoekt openingen in die richting. Israël verzet zich sterk, omdat het in het verleden weinig goeds heeft ondervonden van die vredesmachten van de V.N. Israël is alleen komen te staan in de volkerengemeenschap. Het woord van de heiden-profeet Bileam uit Numeri:

“Zie een volk dat alleen woont en zich onder de natiën niet rekent”

Numeri 23:9

wordt in Israël dikwijls geciteerd. Tragisch is de opmerking van ‘gewone Israëli’s’: “Iedereen haat ons”.

Ook de VS probeert in feite steeds een neutrale koers te varen in het Midden-Oosten conflict. Soms oefent de VS enorme druk uit op Israël om (gevaarlijke) concessies te doen aan de PA. Soms geeft de VS Israël de steun waar het recht op heeft. Het is echter een duidelijk waar te nemen feit, dat Israël vanaf de stichting van de Staat in 1948 steeds meer geïsoleerd is komen te staan. De toenemende anti-Israël houding in de hele wereld zal uitlopen op, wat de Bijbel noemt;

“de menigte van alle volken, die tegen Sion ten strijde trekt”

Jesaja 29:8

Ook de profeet Zacharia en Jezus Zelf spreken over een tijd van grote benauwdheid voor Israël, waarin “alle natiën” (Verenigde Naties??) tegen Jeruzalem ten strijde trekken (zie Zacharia 12:2, 3; Zacharia 14:1-7; Lucas 21:20-24).

Een opvallende ontwikkeling, vooral in de VS is dat het vooral Christenen zijn, die zich ‘bijbelgetrouw’ noemen, die Israël door dik en dun steunen. Voornamelijk door hun invloed staat de VS nog steeds achter Israël. In ons land zijn het o.a. de organisatie Christenen voor Israël en bladen als de Oogst, het Zoeklicht en de Middernachtsroep die achter Israël blijven staan. De hele wereld roept om een Palestijnse staat. De veiligheidsmuur, die zeer effectief tegen zelfmoordterroristen blijkt te zijn, wordt door de hele internationale gemeenschap afgewezen. De verdedigende acties van Israël tegen terroristen worden als wrede wraakacties veroordeeld. In alle opzichten wordt Israël het recht ontzegd de burgers te verdedigen.

Een Palestijnse staat, voor de Moslim-Arabieren een grote stap naar hun doel, de vernietiging van Israël, lijkt nu niet meer tegen te houden. Maar dat speelt al meer dan 60 jaar! Al die jaren is het niet gelukt om, zoals de profeet zegt, ‘Gods land te verdelen’. Zij die bezig zijn het land Israël te verdelen komen onder een oordeel van God. Het is spannend en zelfs benauwend voor Israël. Vooral door de vreselijke en zeer gevaarlijke (atoom)dreiging van Iran. Een nieuwe oorlog dreigt los te barsten voor het einde van 2008. Maar de Eeuwige, de God van Israël, die een machtig werk is begonnen met zijn volk Israël, zal dit werk ook voltooien.

Waarbij onze steun en gebeden een grote rol spelen.

Dit artikel is voor een groot deel een samenvatting van Hoofdstuk 3 uit het boek “Om Sions wil niet Zwijgen”. Het behandelt de Arabisch-Israëlische oorlogen vanaf 1948.

Met Israël op weg naar de Eindtijd

=== Gheel herziene uitgave ===

Geheel herziene uitgave van Met Israël op weg naar de Eindtijd

Een belangrijk boek over de Bijbelse en profetische betekenis van de actualiteit rondom Israël

Met Israël op weg naar de eindtijd is een uitwerking en verdieping van de vele seminars die de schrijver in de loop van de jaren door het land heeft gehouden.
Lees hier meer …

Bestel Met Israël op weg naar de Eindtijd via Gospel.nl, Christenen voor Israël, of Johannes Multimedia.

Eindtijd, Israël en de Islam

=== Een belangrijk, onthullend boek ===

Eindtijd, Israël en de Islam legt de diepste, geestelijke wortels van het conflict in het Midden Oosten bloot.

Onderwerpen o.a.; de eindtijdleer uit de Hadith, Ahmadinejad en Iran, Turkije (Ottomaanse Rijk), de Twaalfde Imam, de Mahdi; de islamitische messias, de droom van Nebukadnezar, etc. etc.
Lees hier meer …

Bestel Eindtijd, Israël en de Islam via Bruna, Bol.com, het Zoeklicht of bij Christenen voor Israel.

Naar Boven